Rugstreeppadden op Schiermonnikoog


Inleiding

Tijdens broedvogelinventarisatiewerk in 2006, op de westelijke helft van Schiermonnikoog, kwam ik regelmatig Rugstreeppadden tegen. Niet alleen hoorde ik de beestjes roepend, ook alle stadia van ei tot volwassen pad liep ik tegen het lijf.
Eind mei las ik in het blad Twirre (Natuur in Fryslân) een artikel over "Voortplantingsplaatsen van Rugstreeppadden op Schiermonnikoog" van Paul Veenvliet (Twirre 14(2), 2003, pag: 63-65).
Kort samengevat:
Potentiële voortplantingslocaties (openwater-locaties) zijn in 1999 driemaal bezocht om uit te vinden of deze gebruikt werden door Rugstreeppadden. De conclusie voor Schiermonnikoog is dat het aantal potentiële voortplantigsplaatsen beperkt is.

Mijn ervaringen voor wat betreft voorkomen en voortplantingsactiviteiten en locaties in 2006 waren heel anders en daarom dit overzicht. Rugstreeppadden zijn niet gericht gezocht of gevangen op geselecteerde uitgezochte locaties. Dit overzicht is een weergave van hap-snap verzamelde waarnemingen gedaan tijdens broedvogelinventarisatiewerk en een iets gerichter zoekbeeld naar de soort in de week 1 t/m 5 juli.

Eerder had ik in 2001 het grootste deel van het eiland op broedvogels geteld. In 2006 kreeg ik de westelijke helft voor mijn rekening. Ik kende wat dat betreft het eiland al redelijk. Op onderstaande kaart staat de grens van het door mij in 2006 getelde gebied in rood aangegeven.

Begrenzing in rood van het door mij in 2006 op broedvogels getelde gebied.
Begrenzing in rood van het door mij in 2006 op broedvogels getelde gebied.


Potentiële voortplantingslocaties

Rugstreeppad, Reddingsweg, 3 mei 2006

Vogels tellen in de broedtijd gebeurd veelal op geluid. De zang van vogels is een criterium om vast te stellen of een vogel het gebied geschikt vindt om er een broedpoging te wagen. Voor een soort als een Rugstreeppad geldt iets vergelijkbaars. Zo'n beestje komt aan op een plek waar water is, vindt het gebied geschikt genoeg voor de voortplanting en begint te roepen. De roep van de Rugstreeppad is bedoeld om een vrouwtjes te lokken om voor jaarlijkse nakomelingen te zorgen. Dat zo'n poel uiteindelijk droog kan vallen, lijkt ze te ontgaan. Net als Grutto's die ondanks hun leeftijd en ervaring bijvoorbeeld maar niet lijken te snappen dat broeden in intensieve graslanden dodelijk voor de jongen is en net als mensen die...........(vul zelf maar in; niets dierlijks is ons vreemd).

In natte jaren, is het mogelijk dat tijdelijke voorjaarspoelen wel lang genoeg voldoende water zullen bevatten om jongen te produceren. Het voorjaar van 2006 was relatief droog en vergeleken bij 2001 was er echt heel veel minder oppervlaktewater. Ondanks de relatieve droogte werden op de meest onverwachte plekken roepende Rugstreeppadden gehoord. Ik heb niet alle locaties waar Rugstreeppadden zaten te roepen consequent opgeschreven, achteraf helaas. Tegen de tijd dat ik dat wel ging doen, riepen er al niet zoveel meer en waren veel plekken waar eerder padden zaten te roepen al opgedroogd. Wel heb ik half juni met behulp van mijn kaartmateriaal, aantekeningen en geheugen die plekken opgetekend. Dit is verder uitgebreid met locaties waar begin juli larven of jonge padden zijn gevonden. De grootte van iedere rode vlek geeft niet aan om hoeveel dieren het gaat, maar toont de locaties die door een of meerdere Rugstreeppadden geschikt bevonden werd om als voortplantingslocatie te dienen. Uiteindelijk leverde dat het onderstaande kaartbeeld op. Bij een gedegen inventarisatie zal een verspreidingskaart ongetwijfeld meer locaties opleveren, met name op het strand. Alles bij elkaar loopt het aantal geschikte voortplantingslocaties in de vele tientallen en zelfs in  droge jaren zijn er voldoende voortplantingslocaties voorhanden om een grote populatie te garanderen.

PotentiŰle voortplantingslocaties voor Rugstreeppadden op Schiermonnikoog.
Overzicht vastgestelde potentiële voortplantingslocaties (in rood) voor Rugstreeppadden op Schiermonnikoog in 2006.


Verschillende typen voortplantingslocaties:

De verschillende hierboven in rood aangegeven locaties zijn onder te verdelen in verschillende biotooptypen. Hieronder een indeling en een korte beschrijving.

Moerassige delen langs de randen van de Westerplas
Langs de noordoost- en zuidwestkant van de Westerplas liggen ondiepe plassen en poelen. Deze zijn vanaf het fiets- en wandelpad vooral zichtbaar in het vroege voorjaar wanneer de waterstand hoog is en de begroeiing laag. Later in het seizoen ontrekken deze plasjes zich steeds meer aan het oog, maar ze zijn er wel degelijk. Bij een hoge waterstand zijn er relatief weinig maar grote poelen; in droge jaren meer, maar kleine poelen. Gezien de bij de Westerplas ruime verspreiding van roepende Rugstreeppadden, is succesvolle voortplanting hier waarschijnlijk een jaarlijks gebeuren.

Blik op de plasjes grenzend aan de Westerplas 13 april 2006
Blik op de plasjes grenzend aan de Westerplas 13 april 2006

Sloten
Sloten op Schiermonnikoog zijn beperkt tot de Banckspolder en het zijn er weinig. Slechts incidenteel bezocht ik de polder maar er werden in ieder geval Rugstreeppadden gehoord in de sloot grenzend aan de Westerplas, helemaal in de oosthoek van de polder net ten noorden van de Herdershut en in de sloot bij het Groene Glop. Het voorkomen van Rugstreeppadden in poldersloten is algemeen op Ameland en Terschelling (eigen waarneming) De paar poldersloten van Schiermonnikoog voldoen mogelijk ook. Opvallend is dat ik ze alleen heb horen roepen aan de (zandige) randen van de polder.

Gegraven poelen en vijvers
"Echte" kikkerpoelen zoals die op het vaste land veel zijn en worden aangelegd, ontbreken en zijn op Schiermonnikoog niet nodig. Er ligt een ronde poel in de Banckspolder, ten zuiden van het dorp met daarin een dichte rietvegetatie. Hierin hoorde ik roepende Rugstreeppadden. Ook hoorde ik ze roepen in een kleine poel nabij het bezoekerscentum en ergens in het dorp in een tuinvijver (ik weet niet meer precies waar). In de tuinvijver bij de Kooiplaats zitten ze ook. In hoeverre de voortplanting hier succesvol is, is onbekend, maar ik zie geen redenen waarom die niet succesvol zou kunnen zijn. In het Deelerwoud op de Veluwe bijvoorbeeld trof ik in 1996 succesvolle voortplanting aan van Rugstreeppadden in platte betonnen drinkbakken voor Edelherten en Zwijnen en in de diepere regenplassen op bospaden.

Gloppen (de lage delen in de duinen waarin in het voorjaar water staat).
Mede als gevolg van stikstofdepositie zijn een aantal gloppen de laatste decennia dichtgegroeid met bos. Hierin kan soms nog een flinke laag water staan, maar nooit hoorde ik in een van deze bossage's Rugstreeppadden roepen. Wanneer een glop eenmaal is dichtgegroeid, is het blijkbaar een ongeschikte voortplantingslocatie geworden. Openheid is dus erg belangrijk.
Het Kapenglop wordt door maaien en afgraven opengehouden. In het voorjaar, toen er nog water op stond, werden hier Rugstreeppadden gehoord. Een check van het terrein op 5 juli leverde nog één plasje op met daarin enkele honderden larven en heel veel watervlooien. 

Kooiduinplassen
Beide Kooiduinplassen bij de Kooiduinen zijn geschikte voortplantingslocaties voor Rugstreeppadden. Tijdens een korte zoekactie op 3 juli van de noordelijkste plas, de Kooiduinplas, ging het om duizenden uitgekropen padjes. Eerder had ik daar ook al eisnoeren gevonden. Bij de zuidelijke Kooiplas trof ik tientallen jonge padjes.

Eiersnoeren in de Kooiduinplas, 23 mei 2006
Eiersnoeren in de Kooiduinplas, 23 mei 2006

Plas-dras graslanden.
Op een aantal plekken werden tussen 20 en 24 mei op door de regen drassig geworden duingraslanden roepende padden gehoord. O.a. het duingrasland grenzend aan de Westerplas, noordkant boerderij Florida, het duingrasland ten oosten van het Groene Glop en enkele van de duingraslandjes in de wijde omgeving van de Reddingsweg. Door opdroging van deze graslandjes waren de meeste dit jaar ongeschikt als voortplantingslocatie. Het is echter mogelijk dat een deel van hier eventueel geboren larven via afspoelend water terecht komt in aangrenzend dieper water en alsnog tot volledige ontwikkeling komt.

Waterafvoeren omgeving Reddingsweg.
Zoals hierboven al vermeld werden er Rugstreeppadden gehoord in de langs de Reddingsweg grenzende afwateringen, plassen en plas-dras graslanden. Gezien de hoeveelheid aan locaties, kan het bijna niet anders of hier komen jaarlijks verspreid kleine Rugstreeppadjes aan land.

Strandvlakte
Tussen het Waterstaatspad en Kobbeduinen ligt de Strandvlakte. Met springvloed kan het zeewater helemaal tot in de westhoek terecht komen. In het voorjaar staat er over grote oppervlakten water op de vlakte, maar later droogt het hier op en resteren hier nog maar enkele plassen. Toch werden hier helemaal in de westpunt en aan de zuidkant van de Kobbeduinen roepende Rugstreeppadden gehoord. Rugstreeppadden kunnen brak water verdragen en zijn blijkbaar in staat zich in dit gebied voort te planten.
 
Strandvlakte ten N van Kobbeduinen 15 april 2006 Strandvlakte ten N van Kobbeduinen 4 juli 2006
Strandvlakte ten N van Kobbeduinen 15 april 2006 Strandvlakte ten N van Kobbeduinen 4 juli 2006

Lage buitendijkse gebieden (stranden) met en zonder riet.
Tot mijn grote verrassing bleek in slechts enkele jaren tijd het enorme brede strand nog breder te zijn geworden en over grote oppervlakten te zijn begroeid. De broedvogelbevolking in 2001 bestond voornamelijk uit Scholeksters en Stormmeeuwen. In vijf jaar tijd was deze uitgebreid met o.a. Kieviten, Tureluurs, Wulpen, Graspiepers, Veldleeuweriken.
Tijdens een van de Houtsnipinventarisaties op 22 mei hoorde ik in de late schemering, vanaf de noordkant van het bos, het constante geratel van roepende Rugstreeppadden van het strand af komen. Ik ben er nog naar toe gefietst, maar het was al te donker en het geluid bleek van verder te komen dan in eerste instantie gedacht en ik besloot daarom later nog maar eens bij daglicht te gaan kijken. Zoals verwacht vond ik daar toen inderdaad eiersnoeren.

In de buitendijkse rietveldjes ten zuiden van de Westerplas hoorde ik ook Rugstreeppadden. Hier blijft meer en langer water staan dan op het groene Noordzeestrand, maar deze hoek staat meer onder invloed van het zoute water. Een vergelijkbare situatie, maar over een groter oppervlak, bestaat ook op het Groene Strand van Terschelling, eveneens in de zw-hoek van het eiland. Dit gebied op Terschelling is wel groter, maar een rijke voortplantingsplaats voor Rugstreeppadden. Dat zou ook goed kunnen met de buitendijkse rietveldjes bij de Westerplas. Het genoemde gebiedje is echter niet intensief bekeken.

Alles bij elkaar heeft de Rugstreeppad op Schiermonnikoog een ruime verspreiding en zijn er voor deze amfibie volop geschikte locaties voor de voortplanting. De enige "bedreiging" is de uitbreiding van bos waardoor poelen en gloppen dichtgroeien, anderzijds is het leefgebied over vele kilometers strand enorm vergroot.


Beschrijving van enkele waarnemingen aan Rugstreeppadden

Larven in de Kapenglop

De Kapenglop is een laagte ten oosten van de Badweg. Een deel is vrij recent geplagd en op 20 mei hoorde ik daar Rugstreeppadden roepen. Rond die tijd was daar tientallen vierkante meters ondiep water aanwezig. Op 5 juli heb ik gezocht naar Rugstreeppadden. Aan oppervlaktewater resteerde slechts één klein poeltje met daarin een paar honderd larven. Gezien de ontwikkelingsstadia van sommige rugstreeppadjes van dit jaar (er waren er namelijk al heel wat aan de wandel), was dit mogelijk niet het enige succesvolle poeltje van Kapenglop, echter jonge padjes kon ik nergens vinden.
 
Het enige resterende poeltje water in de Kapenglop 5 juli 2006 Enkele van de minimaal 100 larven, 5 juli 2006
Het enige resterende poeltje water in de Kapenglop, 5 juli 2006 Enkele van de 100-den larven, 5 juli 2006

Foeragerende Rugstreeppadden in de stuifkuilen
Ten noorden van het Kapenglop liggen een aantal schitterende stuifkuilen. Op zand is het vaak mooi sporen lezen. Als overdag de wind waait worden alle sporen gewist en 's nachts bij windstil weer verschijnen nieuwe sporen in het zand. Op 2 juli kwam ik in deze stuifkuilen een uitgebreid netwerk van verse loopsporen tegen welke overduidelijk van Rugstreeppadden afkomstig waren. Vier jaar geleden had ik dit type sporen al eens achterhaald als zijnde Rugstreeppad. (zie ook het verhaal "Strandpadden" op deze website).

Loopsporen van Rugstreeppadden, stuifkuilen Kapenglop, 2 juli 2006.
Loopsporen van Rugstreeppadden, stuifkuilen Kapenglop, 2 juli 2006.

Net als toentertijd op Terschelling werden de sporen intensief rondom de begroeiing van vegetatiepollen om daarna weer verder te gaan naar de volgende pol. Het leek ook hier duidelijk dat de Rugstreeppadden de pollen vegetatie 's nachts afstropen op zoek naar insekten. Soms gingen de loopsporen behoorlijk steil tegen de helling op. Om dit te kunnen, is springen als een kikker geen optie. Dan kom je namelijk geen meter verder en je loopt het risico achterover weer naar beneden te rollen. Rugstreeppadden springen daarom ook niet, ze lopen, en dat kunnen ze in verhouding tot de Gewone Pad (Bufo bufo) razendsnel. Nergens kon ik ontdekken waar de beestjes zich op dat moment ophielden, maar dat ze zich ergens in het zand ingraven voor de dag begint is de meest voor de hand liggende optie.

Rugstreeppadden op het strand
Op 24 mei ben ik het strand opgegaan om een plek, waar ik twee dagen eerder Rugstreeppadden had gehoord, eens beter te bekijken (rode vlek op bovenstaande kaart tussen paal 5 en 6). In een grote ondiepe plas van enkele tientallen vierkante meters (max. diepte ong. 20 cm), in een half-begroeid stranddeel, trof ik al snel meerdere eiersnoeren aan. Deze eiersnoeren lagen op 200 meter ten noorden van de voet van de zeereep af. (Amersfoort coördinaten 207,1 - 612,9). Dit soort plassen zijn op meerdere plekken op het begroeide deel van het strand te vinden en het is aannemelijk dat het prima voortplantingslocaties zijn. Wel kan springvloed of droogte snel een oorzaak zijn van een volledig falen.
Toch zijn er ook bij het droogvallen van deze ondiepten mogelijkheden. Verspreid op het strand, zijn door stroming met hoog water, enkele diepere putten in het zand uitgesleten waarin het water lang blijft staan. Sommigen putten worden blijkbaar zelfs aangevuld met helder kwelwater zoals ik zelf eenmaal vaststelde. Eieren die hier gelegd worden of in terecht komen maken een goede kans. Ik heb verder niet intensief deze putten in het strand afgezocht. In natte zomers, zouden er wel eens duizenden jonge padjes op het strand kunnen opgroeien. In droge jaren misschien niet één.

Eiersnoeren op het strand 24 mei 2006; Amersfoortco÷rdinaten 207,077 - 612,940
Eiersnoeren op het strand 24 mei 2006; Amersfoortcoördinaten 207,077 - 612,940

Op 2 juli bezocht ik deze strandplas opnieuw om te kijken hoe het er bij lag. De plas was opgedroogd en in eerste instantie wees niets meer op de aanwezigheid van padden. Met de wetenschap dat Rugsstreeppadden zich prima thuis voelen op het strand ben ik op zoek gegaan naar sporen in het zand. Op het begroeide deel zijn loopsporen niet terug te vinden. Daarnaast kunnen rugstreepppadden zich daar slecht ingraven vanwege de wortelmat en de te natte bodem. Daar hoef je dus niet te gaan zoeken. Enkele tientallen meters noordelijker, waar de eerste stuifduintjes weer ontstaan, kwam ik meteen loopsporen tegen en het waren meer dan verwacht. Het patroon van sporen was identiek aan wat ik ook in de stuifkuilen bij Kapenglop en in 2002 op Terschelling aantrof. Ik heb nog even kort gezocht of ik niet ergens een exemplaar kon vinden onder aanspoelsel of weggegraven in het zand, maar tevergeefs. Aanspoelsel lag er niet en je weet echt niet waar te beginnen in de hectares met golvend wit zand.
Het meest noordelijke loopspoor bevond zich op Amersfoortcoördinaten 206,966 - 613,103 en dit is waarschijnlijk de meest noordelijke Rugstreeppadwaarneming ooit in Nederland.
 
Loopspoor van Rugstreeppad; A'foortco÷r. 208,705 - 612, 995 Het leefgebied van Rugstreeppadden op het strand van Schiermonnikoog, 2 juli 2006
Loopspoor van Rugstreeppad; Amersfoortfoortcoördinaten 206,705 - 612, 995 op 2 juli 2006 Het leefgebied van Rugstreeppadden op het strand van Schiermonnikoog, Amersfoortfoortcoördinaten 206,705 - 612, 995 op 2 juli 2006

Om enigszins een idee te hebben van de aantallen loopsporen heb ik ter hoogte van Y-coördinaat 612,9 over een lengte van 500 meter de loopsporen in het zand geteld. Daarbij ben ik begonnen op X-coördinaat 207,1 en liep daarbij naar het westen tot X-coördinaat 206,6. Over deze 500 meter kruiste 39 keer een spoor mijn pad en wel 22 keer een spoor naar rechts (richting zee) en 17 keer een spoor naar links (richting duinen). In tegenstelling tot wat ik op Terschelling vond was er dus geen sprake van een verplaatsing naar één bepaalde richting, maar waren het min of meer een willekeurige "wandelingen" (lees strooptochten) alle kanten op. Daarna heb ik nog een paar honderd meter gelopen langs de voet van de zeereep. Geen enkel spoor zag ik daar. De strandvlakte met z'n ondiepe poelen en het losse zand is een leefgebied waar Rugstreeppadden foerageren, dekking vinden en zich proberen voort te planten. 

1000-den nieuwe padjes
De eerste jonge uitgelopen Rugstreeppadjes kwam ik bij toeval tegen op 2 juli in een droogvallende poel bij de "begrazing". Deze poelen worden ook wel Beltplas genoemd. Terwijl de zon al ver gezakt was, trof ik langs de oevers van de noordelijkste plas duizenden kleine padjes aan. Ik telde meer dan 100 padjes per strekkende meter oever en deze plas had een omtrek van bijna 150 meter, dus reken maar uit!! Ze liepen razendsnel van me weg maar werden weer snel rustig toen ik me niet meer bewoog. Het leek alsof ze "vast" zaten aan de poel; te groot om terug het water in te gaan en te kwetsbaar om al het droge duingebied in te kunnen trekken. Door de dagtemperatuur van 30 graden was de omgeving kurkdroog en te heet geworden voor deze kleine beestjes en daardoor levensgevaarlijk. Door de prut van de droogvallende oever kwam ook een Kleine Watersalamander de kant op gekropen. Duidelijk was te zien dat door het droogvallen van de poel deze oeverzone met natte bodemprut steeds breder werd. Op deze natte bodem kwamen duizenden kleine vliegjes af welke weer door de padjes gegeten werden. Met het droogvallen van de poel nam het oppervlak foerageergebied voor jonge padjes dus toe. 

Het was verrassend om te zien wat een grote tong er in zo'n klein beestje zit en hoe effectief ze vliegjes vingen. Je zag ze langzaam lopen en voorzichtig rondkijken. Ze gingen in de aanslag wanneer ze vlakbij een vliegje zagen, bleven even doodstil staan en met de uitklapbare tong, flats-hap, weg vliegje. Het ene na het andere vliegje verdween zo naar binnen. Wat me verbaasde was het verschil in "dikte". Sommige padjes waren al heel dik (waren die al wat langer op het land?) en anderen héél mager (waren deze pas net op het land gekropen of kregen die niet genoeg vliegjes binnen??).

Het werd al snel donkerder en daarom niet veilig voor de padjes als ik daar liep (voetje voor voetje op m'n tenen). Ik besloot een andere keer wat uitgebreider te gaan kijken.

Een uitgelopen Rugstreeppadje met een formaat van een dikke Bosmier, 2 juli 2006
Een uitgelopen Rugstreeppadje met een formaat kleiner dan een hommel, 2 juli 2006

Twee dagen later heb ik het terrein opnieuw bezocht. Ditmaal wat vroeger op de dag (20:30h) in de hoop dat niet opnieuw de bodem bedekt zou zijn met jonge padjes. Er zijn drie poelen. Bij de noordelijkste waren alweer 100-den padjes aan het foerageren, maar lang niet zoveel als twee dagen eerder. Een groot deel zat namelijk nog verstopt in de begroeiing vlak naast de poel; onder kruipwilgjes en in graspollen. Als je je hand door zo'n graspol haalde kwamen ze er met tientallen aan alle kanten uitzetten.
De middelste poel was droog gevallen. Of hier ook larven zijn groot geworden is niet duidelijk. Er waren wel enkele tientallen padjes op de drooggevallen bodem aan het foerageren, maar die kunnen uit de noordelijke poel gekomen zijn.
Langs de zuidelijke poel kon ik maar met moeite enkele padjes vinden, misschien waren deze afkomstig uit de noordelijke poel 70 meter verderop. In het water zaten hier nog honderden larven, dit in tegenstelling tot de eerste poel waar nog maar amper een larf te vinden was.
 
Noordelijke beltplas; 4 juli 2006 Middelste beltplas; 4 juli 2006 Zuidelijke beltplas; 4 juli 2006 4 juli 2006
Noordelijke Beltplas Middelste Beltplas Zuidelijke Beltplas

Terwijl adulten Rugstreeppadden heel goed uit de voeten kunnen in droog zand, was dat voor die kleintjes toch een stuk moeilijker. Tussen de plassen in, is de afgegraasde laagte kort begroeid met o.a. grassen, zeggen, kruipwilg, tormentil en zonnedauw (zie onderstaande foto). Dit was, samen met de droogvallende oevers, dè plek waar de jonge padjes foerageerden. In het droge nabijgelegen zand, vond ik geen jonge padden of sporen daarvan.

Foerageergebied voor jonge Rugstreeppadden, 4 juli 2006
Foerageergebied voor jonge Rugstreeppadden, 4 juli 2006

Het leek duidelijk. Jonge padjes verstoppen zich overdag tussen vochtige begroeiing en adulten graven zich in het zand in. Voor dekking overdag is een combinatie van droog open en los zand voor adulten en vochtige vegetatie voor de kleintjes van belang. Kleine padjes foerageerden hier op de droogvallende oeverzone met geen of weinig begroeiing op de miljoenen kleine vliegjes, of in een heel korte vegetatie waar ze goed uit de voeten kunnen. Adulten hebben vanwege hun formaat wat meer keus en mogelijkheden.

Verstopt onder het wier.
Op m'n laatste dag op het eiland, 5 juli, besloot ik nog eens bij één van de poelen ten noorden van het bos te gaan kijken waar ik dit voorjaar Rugstreeppadden had horen roepen. Toentertijd stond er behoorlijk veel water en het aangrenzende gemaaide duingrasland stond deels blank. Het leek toen een mooie voortplantingspoel. Wanneer er nog water zou zijn was de kans op larven of jonkies groot. Het hele gebied stond nu echter droog, dat wil zeggen, de grond was vochtig en zompig, maar er was geen oppervlaktewater meer. Op mijn hurken zocht ik tussen de begroeiing naar eventuele jonge padjes en zag dat er een bijzonder biotoop was ontstaan.

In het voorjaar stond er water op het nogal ijle rietveld. Dit was de plek waar ik Rugstreeppadden had gehoord. Rietvelden in dit type duin groeit vaak niet hard en wordt ook niet zo hoog. In het ondiepe en relatief warme water was wier gaan groeien. De poel was drooggevallen en het wier opgedroogd tot één grote bodembedekkende plak. Terwijl het wier steeds verder was opgedroogd, was het in stukken gescheurd, zoals ook opgedroogde modder scheurt. Ondertussen was de vegetatie gewoon doorgegroeid en had de plakken opgedroogd wier uiteindelijk enkele centimeters omhoog gedrukt. Daaronder was een ruimte ontstaan van enkele centimeters hoog.

Op mijn hurken trok ik een plak wier weg en daaronder zat meteen een dikke Kleine Watersalamander, twee stukken wier verder, een dikke Rugsstreeppad. Het was duidelijk dat onder dit oppervlak van honderden vierkante meters opgedroogd en opgedrukt wier, een prachtige schuilplaats was ontstaan. Onder de beschutting van de opgedroogde wierplakken droogt de bodem niet zo gauw uit en is de vochtigheid hoog. Padden en salamanders zijn onder het wier grotendeels onzichtbaar en er is vreten genoeg in de vorm van allerlei insekten. Dit jaar waren er op deze plek waarschijnlijk geen jonge Rugstreeppadden uitgekropen, maar er was wel een prachtige overlevingsplek voor adulten ontstaan welke het volgend jaar nog eens kunnen proberen.
 
Opgedroogd, gescheurd en omhooggedrukt wier, 5 juli 2006 Kleine Watersalamander, 5 juli 2006
Opgedroogd, gescheurd en omhooggedrukt wier, 5 juli 2006 Kleine Watersalamander, 5 juli 2006

Situatie bij de Kooiduinplassen
In de Kooiduinen liggen twee plassen. De noordelijkste heet "Kooiduinplas", de zuidelijkste "Kooiplas". Op 23 mei trof ik in de Kooiduinplas, in het hoekje waarvan de oevers worden begraasd, eiersnoeren aan. Bij de volgende ronde op 15 juni vlogen van deze plek twee Kleine Zilverreigers weg. Van snoeren of larven was op deze plek niets te zien. Waren ze hier larven aan het eten of juist één van rugstreeppad's vijanden: de stekelbaars? Waarschijnlijk beide.

Pootafdrukken van Kleine Zilverreigers op de bodem van de Kooiduinplas, 15 juni 2006
Pootafdrukken van Kleine Zilverreigers op de bodem van de Kooiduinplas, 15 juni 2006

Weer een paar weken later, op 3 juli, bleek dat de Rugstreeppad zich hier toch zeer succesvol voortplant. In vegetatie langs de oever kwam ik honderden padjes tegen. In het begraasde hoekje zaten ze met tientallen bij elkaar verstopt in graspollen. De situatie van het onbegraasde deel vond ik echt geweldig. Hier ligt langs de oevers dood plantenmateriaal half in het water.  Daar doorheen groeit riet en veel waternavel. Verspreid tussen het dode plantenmateriaal, zaten de padjes, half in het water, met de parasolletjes van de waternavel boven hun hoofd. Beschut tegen zon en oververhitting, uit het directe zicht van predatoren met volop eten in de vorm van muggen en vliegjes.
 
 
Kooiduinplas, links het begraasde, rechts het onbegraasde deel van de plas 3 juli 2006 Kooiplas, onder de wilg een 20-tal padjes 3 juli 2006
Kooiduinplas, links het begraasde, rechts het onbegraasde
deel van de plas 3 juli 2006
Kooiplas, onder de wilg een 20-tal padjes 3 juli 2006

Bij de Kooiplas heb ik op 3 juli een klein stuk van de oever afgezocht. In eerste instantie vond ik niets. Op de droogvallende oever lag een laag natte bladeren waartussen ze zich goed zouden kunnen verstoppen, maar ik zag er geen. Even verderop tussen het gras onder een wilg zaten er een twintigtal verstopt en weer een stukje verder, op een plek waar de schapen en paarden kwamen drinken, trof ik verschillende padjes aan onder een paar blokken hout. Dus ook deze plas bleek een succesvolle voortplantingslocatie te zijn terwijl ik me van beide plassen niet kan herinneren hier ooit Rugstreeppadden te hebben gehoord.

Aanvullend
In de Berkenplas heb ik in 2006 geen Rugstreeppadden gehoord en heb daar ook geen eiersnoeren of larven gezien. Wel lagen er eenmaal twee dode adulten in het water. Datum onbekend.
In de IJsbaan heb ik geen Rugstreeppadden gehoord. Een korte zoekactie begin juli leverden geen jonge exemplaren op. De plas was op dat moment ook eigenlijk helemaal drooggevallen en wat resteerde was een dikke modderbodem en een snel groeiende vegetatie.
Op 4 juli vond ik aan de zuidkant van de Binnenkwelder, zes relatief kleine Rugstreeppadden (mogelijk exemplaren geboren in 2005) in een veerooster op het kwelderpad; coördinaten 209,3 - 611,1.
Op 5 juli een heel jong uitgelopen padje op het Johannes de Jongpad; coördinaten 208,9 - 611,9.
 
Een van de zes Rugstreeppadden uit het veerooster; Kwelderpad 4 juli 2006 Jong padje; Joh. de Jongpad 5 juli 2006
Een van de zes Rugstreeppadden uit het veerooster;
Kwelderpad 4 juli 2006
Jong padje;
Joh. de Jongpad 5 juli 2006

Kleine Zilverreiger
In toenemende mate worden Kleine Zilverreigers op het eiland waargenomen en de soort is er de laatste tien jaar ook een jaarlijkse broedvogel geworden. Zowel Kleine Zilverreigers als Rugstreeppadden houden zich graag op in ondiepe zanderige poelen met zoet of brak water. Mogelijk zijn de larven van Rugstreeppadden, wanneer massaal aanwezig, belangrijk voer voor de Zilverreigers. Anderzijds eten de Zilverreigers ook veel visjes en larven van libellen e.d. De predatie van Kleine Zilverreigers op deze soorten zorgt ervoor dat geen van de in de kleine poeltjes aanwezige waterbeestjes ooit de overhand zal krijgen aangezien ze altijd het meest vangen wat er het meest is. De aanwezigheid van Kleine Zilverreigers zorgt er mede voor dat de soortsamenstelling van amfibieën, visjes en insekten in de poeltjes gegarandeerd gevarieerd blijft. De Rugstreeppad zorgt met de duizenden jongen misschien wel voor een belangrijk aandeel in het voedselpakket van deze reigertjes en levert daarmee behalve direct, ook indirect een belangrijke bijdrage aan de soortvariatie in het ecosysteem van Schiermonnikoog.

Foeragerende Kleine Zilverreigers Westerplas 13 juni 2006
Foeragerende Kleine Zilverreigers Westerplas 13 juni 2006

Wanneer je de beheerder van het Nationaal Park Schiermonnikoog, Otto Overdijk, vraagt "hoeveel Rugstreeppadden zitten er op het eiland?", krijg je het stellige antwoord: "één miljoen". Mijn ervaring is dat dat in goede jaren best wel eens waarheid zou kunnen zijn.
 

Dit artikel als pdf downloaden rugstreeppad_schier.pdf (7 pag. 717 kB)


Michel Klemann